Op bezoek bij onze biologische katoenproducent

“Hij zal wel een zelfgehaakte hippietrui dragen”, dacht ik stiekem

 
Mijn wever vertelt over het bedrijf waar hij het katoengaren inkoopt.
 
“Ze telen zélf hun katoen”, zegt hij.
 
“En van de katoenwatten maken ze garen.”
 
“Helemaal biologisch.”
 
Klinkt mij als muziek in de oren.
 
In Turkije heb je veel kleine landbouwcoöperaties. Veelal opgericht in de jaren zestig of zeventig, en op socialistische leest geschoeid.
 
Zeg maar: hippie.
 
Zo stel ik me dit bedrijf voor. Een grote katoenplantage met daarnaast een schuur met machines die van watten garen spinnen.

Waar de coöperatieleden vrolijk zingend de machines bedienen

’n Beetje als een communistische propagandafilm. (Maar dan zonder onderdrukking, want dat vind ik niet zo bij biologisch passen.)
 
Nou, dat wil ik wel ’ns zien!
 
Een vriend brengt me erheen. Een uurtje rijden vanaf Izmir.
 
Het blijkt geen hippie bedrijf, maar een moderne onderneming.
 
Helemaal 21ste eeuw.
 
Wever Metin heeft al aangekondigd dat ik eraan kom.
 
Ik word te woord gestaan door een vrouw in een kantoortje. Qua kleding past ze in mijn plaatje, maar zingen doet ze niet.
 
Gelukkig maar, want dat praat zo moeilijk :)
 
Eerst beantwoordt ze al mijn vragen. Dit ben ik wijzer geworden:
 
De katoenplantage bevindt zich in een naburige provincie, ver weg van alles wat chemische vervuiling kan opleveren. Ook bij harde wind.
 
Dat is belangrijk, want als de buur-boer chemicaliën over zijn land sproeit, kan het overwaaien en de oogst verpesten.
 
Uiteraard mogen er geen insecticiden gebruikt worden en alleen organische mest.
 
De controle is strikt. Certificeringsbedrijven eisen dat de biologische katoenplant wordt geanalyseerd. Daarom checkt een laboratorium de chemische samenstelling van de plant.
 

Het lab analyseert zelfs het DNA van het katoen

 
Als mijn vragen ‘op’ zijn, krijg ik een rondleiding door de productiehallen.
 
In de eerste hal liggen grote balen geplukt katoen opgestapeld. (Dat zijn dezelfde watten als je thuis hebt.)
 
De katoenwatten worden geborsteld (gekaard heet dat) zodat de vezels dezelfde kant op staan. Nu heb je een lange dikke lint katoenwatten.
 
Soms wordt het lint ook gekamd. Dan worden de korte haartjes eruit gehaald, zodat alleen de lange overblijven. Gekamd katoen noemen ze dat.
 
“Maar hoe maken ze van watten garen?”, vraag ik me af.
 
Watten trek je zo los. Het heeft geen trekkracht. Maar het geheim is dit: als je watten uitdunt tot een lint, en je draait het als een kurkentrekker (“spinnen”), dan krijgt het trekkracht.
 
In dit bedrijf wordt het garen 500 tot 800 keer gedraaid. Dat is erg sterk.
 
Daarna wordt het op kleine klosjes gerold. En vervolgens op de grote klossen die ik bij mijn wever altijd zie. Bobin noemt hij die.
 
De machine waarop dat laatste gebeurt, is hypermodern.
 
Nee, echt súper high-tech.

Bij biologisch dacht ik eerder nóóit aan robots

De machines die de kleine klosjes op de grote spoelen, zijn volautomatisch. Een lasertje kijkt of het draad nog goed is. Het kleine klosje kan leeg zijn of het draad gebroken. Als het kleine klosje leeg is, wordt hij vervangen door een nieuwe.
 
Ehm, maar je zei robot?
 
Ja, want nu komt het. Het apparaat vindt zelf het uiteinde van garen op het klosje. En ook de draad op de grote klos.
 
En daarna knopen twee robot-armen ze aan elkaar.
 
Wauw, zoiets had ik nog nooit gezien!
 
Geloof je me niet? Dan is hier de film: